Starting home… en daar maar blijven dan?

Het lijkt de logica zelf: om de leerlingen die nu in aparte klassen in hun eigen levensbeschouwing onderwezen worden (in de 3de graad van het Gemeenschapsonderwijs) samen te brengen om te gaan dialogeren, begin je eerst… bij je eigen levensbeschouwing.

Zo wil het de drie-trapsraket van de theoretici van de ILD, de InterLevensBeschouwelijke Dialoog, die met één van de twee lesuren van de levensbeschouwelijke vakken aan de haal is gegaan. Die aanpak in drie fasen lijkt het geesteskindje van professor Pollefeyt en het werd verdedigd door Jeroen Hendricks op de ILD-terugkomdag in Brussel op 27 mei 2024.

Er zijn vanuit de praktijk twee bezwaren in te brengen tegen de drietrap: een psychologische hindernis en een praktische:

Om met de praktische te beginnen: “Wat is het vandaag mevrouw? Zedenleer of ILD?”. Een voor de hand liggende vraag, ook bij de leerlingen van de verschillende godsdiensten. Want de helft van de lestijd hebben ze het ene, en de andere helft van de lessen het andere. En wat is het antwoord nu en dan? “Het is ILD, maar wel in je eigen klasgroep van NCZ”. Je kan je voorstellen hoe duidelijk dat is: wel ILD, maar toch apart. Duidelijk is anders.

Het andere bezwaar is dat het niet zo werkt: je gaat niet eerst overleggen hoe je in je eigen levensbeschouwing aankijkt tegen een bepaald thema, om die visie daarna toch weer even te laten bevragen door andere levensbeschouwelijke visies. Zo werkt het niet. Meerdere psychologische mechanismen zorgen er voor dat je de eenmaal gemaakte keuze eerder zult willen bevestigen en beschermen, dan dat je die toch weer enigszins wil laten relativeren of zelfs maar aanvullen met alternatieve visies.

Laat ons een paar van die mechanismen bekijken en toepassen op de drietrap:

  • Er is in de eerste trap goed nagedacht over het thema. Dat vraagt een inspanning. Maar wanneer een beslissing tijd en moeite gekost heeft, hebben mensen de neiging om die inspanning te rechtvaardigen door de waarde van de gekozen optie te vergroten en de waarde van de alternatieven te verminderen.
  • Na het maken van een beslissing, zijn mensen ook meer geneigd om informatie toe te laten die hun keuze ondersteunt en informatie te vermijden die deze tegenspreekt. Je wil niet dat andere stemmen jouw keuze in twijfel gaan trekken, dus wil je die vermijden.
  • Mensen hebben ook de neiging om zich te richten op informatie die hun bestaande overtuigingen en beslissingen bevestigt, terwijl ze informatie die deze uitdaagt negeren of minimaliseren. De bevestigingsbias helpt nog bij het versterken van je keuze en maakt alle andere opvattingen minder aantrekkelijk.

De hele drietrap dreigt dus een jammerlijke mislukking te worden. In een didactisch goed doordacht leerproces is het inderdaad wel ‘good practice’ om in een eerste fase de al opgedane kennis bij elkaar te sprokkelen en op te frissen, maar daarnaast is het ook goed om interesse te wekken. Beproefde triggers zijn lichtjes overdreven stellingnamen, die liefst een beetje tegen de haren in strijken, om de leerling aan het denken te zetten. Maar je moet in die fase niet zo ver gaan, dat je de deur weer dicht gooit met een eindbesluit in de zin van: “zo denken wij daar over” (en laat ze nu maar komen met hun … meningen).

Starten is goed. Het probleem zit hem in “Home”. Vooral in lesgroepen die niet zo graag een intellectuele inspanning doen en heel snel, zonder verder dralen, een definitief antwoord willen hebben om dat vooral niet meer te laten wankelen, is de drietrapsmethode juist niet de manier waarop je voor ILC en ILD te werk wil gaan. De drietrap werkt op de studeertafel, maar je struikelt er meteen over in het veld.

Nog eens een huilende madonna

Huilende Mariabeelden. Het is een terugkerend thema. In de nieuwe film ‘De man uit Rome’ moet Filippo, een jonge priester een zoveelste mirakelbeeld komen bekijken. Deze keer in Zuid-Limburg. Hij mag – en moet – oordelen of het hier gaat om boerenbedrog – of een echt wonder. De man is niet aan zijn proefstuk toe: we vernemen dat hij al tal van mirakels naar de vuilnisbak heeft verwezen. Maar hier ligt het niet zo eenvoudig: dit Mariabeeld doet wel iets.

Het dorp waarin het wonder zich voordoet, herstelt nog moeizaam van een verschrikkelijk drama. Een lokale jongen heeft een viertal jaar geleden een bloedbad aangericht in de basisschool. Die gebeurtenis heeft bijna iedereen in het dorp diep geraakt. Ook de jonge vrouw die haar beeld heeft zien wenen, was betrokken bij de shoot-out en zij lijdt nu aan afasie. 

Uiteraard zit je dan te wachten op het moment dat Therese, die dus niet meer kan praten sinds het schietincident op haar school, weer een woord kan uitbrengen. Maar dat moment laat wel even op zich wachten. Onze priester-onderzoeker van dienst moet eerst een lastig dilemma uit de weg gaan: hij houdt zielsveel van de waarheid en verafschuwt de leugen, maar alleen door een leugen kan hij heling brengen. Wat dan ook gebeurt,

Enkele gebeurtenissen, vooral in het laatste kwartier van de film, zou ik minder spectaculair hebben ingevuld. De heftige momenten doen – naar mijn mening – afbreuk aan de integriteit van de film.

Wat mij wel erg opviel is de vrij klassieke manier waarop een priester in de film wordt neergezet. Deze priester is een patiënt die lijdt aan een maagziekte, waardoor hij geen hap naar binnen krijgt zonder misselijk te worden. Alleen sigaretten worden probleemloos geconsumeerd, maar een simpel stuk brood brengt zijn maag danig in de war.

Hij lijkt wel heel sterk op de lijdende priester in ‘Journal d’un curé de campagne’ van Robert  Bresson.  Je ziet het traditionele priesterbeeld van een getormenteerde, eenzame man met een lichamelijke kwaal. Een priester moet altijd lijden – anders lijkt hij niet op de Christus.

De eerste woordjes uit de mond van Therese is niet het enige waar ik op zat te wachten: ik keek vooral uit naar de preek van de man uit Rome in de herdenkingsmis voor de slachtoffers van de schietpartij in de school. En die preek vond ik een opsteker: geen zoveelste zweverige of ontwijkende non-antwoorden als ‘Gods wegen zijn ondoorgrondelijk’, maar een hint naar de radicale theologie van mensen als Peter Rollins. ‘God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ Theologie die geen stoplap meer wil zijn voor het menselijke hunkeren naar zin en betekenis, maar de gruwel en de absurditeit volmondig onderstreept en van het niet-weten een startpunt maakt om dit bij momenten ellendige bestaan uit te houden. 

Ja, ondanks alles een film die even blijft hangen. En dus een aanrader.

Volgende week: Godland.

Ikiru – Living

Ikiru: ‘Hoe te leven’

Het moet in 1981 geweest zijn, dat ik naar enkele films van Ikira Kurosawa ben gaan kijken. Als ik mij goed herinner was de Kurosawa-retrospectieve ergens in een auditorium op de Vismarkt. Het Trilingua College misschien? Maar Kurosawa dus. Comfortabel film kijken was het niet: houten zitjes en een tràge film in zwart-wit. Maar het verhaal boeide mij wel en ik herinner mij nog goed de uitdrukking op het gezicht van de hoofdrolspeler, helemaal van de kaart door het medische doodvonnis dat hij kreeg.
Het verhaal is nochthans flinterdun: de zieke man probeert er op allerlei manieren nog iets uit te halen, maar erg succesvol is dat niet: drank, seks… het kan hem allemaal niet meer opvrolijken. Zijn werk als ambtenaar is al even nutteloos als leeg. Hij stempelt documenten af, zonder zich veel met de inhoud in te laten. De eenzaamheid en de uitzichtloosheid. Kurosawa kon het heel indringend laten zien.
Dat was Ikuru. Een andere film van hem – met Samoerai – herinner ik mij ook nog vaag, maar Ikiru ben ik blijven kijken, op video en later op DVD en nu op Apple TV.
En die film heeft nu een remake gekregen met als titel ‘Living’. Zal het bevallen? We zullen zien.

Een goeie film. Meestal wil ik het bij een film na een uurtje voor bekeken houden, omdat de verhaallijn me meestal maar matig kan boeien – maar dat was bij Living dus niet zo. En dat mag je op het conto van Bill Nighy schrijven, die verbluffend acteerwerk neerzet.
De verhaalde tijd is de jaren 1950 in Londen en het milieu is dat van stugge ambtenaren op het gemeentehuis. Net als in Ikiru is het belangrijk dat je stapel paperassen altijd het formaat van een wolkenkrabber heeft, want anders zou iemand wel eens kunnen denken dat je niet veel werk verzet.
Als je Ikiru gezien hebt, wacht je al gauw op de komst van een paar mevrouwen, die van de ruïne waar hun kinderen in spelen, een speeltuintje willen laten maken. En dat verhaal komt er ook. Londen is in de fifties nog heel erg bezig met de heropbouw en de tijden zijn nog hard voor de Britten, die maar met moeite overeind krabbelen na de oorlog.
Maar veel meer nog dan de verandering die het koppijndossier van het speeltuintje voor Mr. Williams zal meebrengen, gaat Living dus over het onvermogen om te praten over wat binnenin pijn doet. Enkele jongere mensen neemt Bill in vertrouwen en die begeleiden de zieke man ook voor een tijd, maar het lukt niet om de eigen zoon deel te laten hebben aan zijn gevoelens. Het einde van de film vind ik zelf niet helemaal gelukkig gemonteerd. Misschien was het beter geweest om de chronologie te behouden, maar de cineast wilde de reacties van de omgeving op de dood van Bill meenemen. En dat gaat niet als je wil eindigen met Bill in de sneeuw op de schommel in ‘zijn’ speeltuintje.

Living is niet bedoeld als een remake van Ikiru, zegt de regisseur. Het gaat meer over de stijfheid van de Engelsen van vorige generaties, die nooit gevoelens toonden en zich verborgen hielden achter saaie pakken en bolhoeden en veel beleefdheid en maniërismen. Mr. Williams leeft dan nog eens in rouw om zijn jong gestorven vrouw en dat allemaal maakt dat zijn leven vervallen is tot de voortdurende herhaling van steeds dezelfde routines. Het is die stille droefheid, de melancholie en de combinatie van breekbaarheid en fierheid die mij wel aanspreekt.

Kan je Living in de klas inzetten als trigger voor je lessen RKG? Ik denk dat het kan, maar het is niet vanzelfsprekend. Zelf vermeld ik vaak het filmverhaal van Ikiru om het te hebben over zingeving. Van de ene kant is het uiteraard een voorbeeld van arbeid als zingeving. Hoewel het ook anders kan, wil Mr. Williams koste wat het kost nog dat ene speeltuintje realiseren vooraleer hij sterft. Je kan er misschien ook een voorbeeld van Levinasiaanse kleine goedheid in zien. Het briefje aan een jonge collega, waarin Mr. Williams het heeft over het speeltuintje, is dan een mooie keuze als filmfragment. Hij relativeert daarin de verwezenlijking van het speeltuin-project door te zeggen dat het misschien weer snel weer zal vervallen of moet verdwijnen voor een groter project. “Het is geen blijvend monument, dat wij gerealiseerd hebben, maar…”

Wat dan volgt, weet ik niet meer, maar in een volgende scène wordt wel duidelijk, dat de wereld inderdaad niet veranderd is. Als er weer een dossier terugkeert van een andere dienst en dreigt te verzanden in de wolkenkrabbers van papierstapels, horen we nog een keer de gelaten woorden: “we zullen het hier houden – dat kan geen kwaad”. Ondanks de gezworen eden van de bolhoeden, om voortaan echt werk te maken van het werk, reageert niemand als de administratie weer eens vastloopt en mensen in de kou blijven staan door gezapige onverschilligheid.

Een quote van Dirk de Wachter sluit hier mooi bij aan: ‘De wereld gaat niet veranderen. Dat gaat niet lukken. Begin met iets kleins..’

Wat als er geen Erkende Instantie meer is?

Dick Wursten (DM 16/09/2022 ) en Leni Francken (DS 17/09/2022) reflecteren allebei en vrijwel op het zelfde moment op het opheffen van de moslimexecutieve. Beiden brengen ook nagenoeg dezelfde oplossing aan voor het probleem: vergeet de koepelorganisatie – want dat lukt blijkbaar toch niet – en geef de lokale gemeenschappen de bevoegdheid om mensen aan te stellen als leraars voor de levensbeschouwelijke vakken. De idee om alle erkende levensbeschouwingen op de leest van de katholieke kerk te schoeien moet dus worden losgelaten.

Het wil wel wat zeggen, als deze deskundigen met een zelfde oplossing komen. Dan moet de politiek dat zo maar eens gaan regelen, vind ik. Maar in beider bijdrage mis ik toch de inbreng van de instellingen die de opleidingen verzorgen van de leraren. Want je wil niet dat om het even wie straks voor de klas staat om daar om het even wat te verkondigen, met het mandaat van een lokale afdeling van een (on-)gelovige gemeenschap. Een degelijke en permanente scholing van de leraren door erkende instellingen, moet er voor zorgen dat breeddenkende en ruimhartige mensen een mandaat krijgen om de levensbeschouwelijke vorming van onze jongeren op zich te nemen. Een gunstig advies bij het geven van een mandaat van de leraren van de leraren mag niet ontbreken, naast een academisch diploma dat die naam waardig is.

De gelukkige verliezer

Misschien hebben de andere kinderen wel vals gespeeld, maar na een vrij goede start begon ik meer en meer van mijn huisjes kwijt te spelen en aan hotels was ik nog niet eens begonnen. De afgang duurde pijnlijk lang, maar uiteindelijk was ik helemaal failliet, tot groot jolijt van de andere spelers. Ik speelde normaal graag Monopoly, maar deze partij is me bijgebleven, juist omdat ik zo grandioos verloren had. We waren aan zee. Ik verliet de speeltafel en ging buiten nog wat zitten wrijven over mijn armen en mijn schouders die verbrand waren door de zon. Ellende. Tot ik na een paar minuten afgeleid werd door het uitzicht daar en het inzicht tot mij doordrong: het was maar een spelletje! Het was niet echt. Dat ik hier was en mij daar – ook al door de pijn van mijn verschroeide velletje – ook heel hard van bewust was: dat was het! Het voelde als een enorme last die van mijn oranje-rode schouders viel: het was maar een spelletje.

Monopoly: alleen leuk als je wint?

Verliezen in een spel heb ik sindsdien nooit meer erg gevonden, maar ik heb de indruk dat er deelnemers zijn aan De Slimste Mens, die dat dus wel vinden. En daar zit volgens mij ook een ontwikkeling in: in het begin was het volgens mij meer een zeverprogramma, een kwis als excuus voor een hoop onderbroekenlol. Maar toen ik een hele tijd later nog eens keek, ging het blijkbaar hard tegen hard. Winnen deed er toe.

Toen de Nederlanders, die een heel andere, scherpere en minder absurdistische humor hebben, het format overnamen, werkte het daarom ook voor geen meter, juist omdat ze het spel altijd ernstig nemen. Het werd dan ook geen kijkcijferkanon. Maar dat terzijde – en misschien zie ik het wel verkeerd. U mag het zeggen.

Maar dat willen winnen dus. Daar zit het theologisch goed fout in de sketch voor de aankondiging van het nieuwe seizoen. Juist is in ieder geval dat Jezus in deze ronde de verliezer is. Wat vreemd, want hij was dus wel goed op de hoogte van wat er op het veld groeit, maar goed: zijn antwoorden zijn niet juist en hij ligt er uit. Wat er dan niet meer spoort met de Jezus van het christendom, is dat hij het blijkbaar erg vindt. 

Natuurlijk hebben we vroeger wel een feest als Christus Koning gehad, waar de katholieke jeugdbeweging veel aandacht voor had. Beide, het feest van Christus Koning en de ‘echt’ katholieke jeugdbewegingen zijn vandaag niet meer zo zichtbaar, maar dat terzijde. Het feest van Christus Koning is dan ook een misvatting: het koningschap van Christus is inderdaad, u weet het nog, niet van deze wereld. Waar het mij om gaat, is dat de gekruisigde Christus juist de ontmaskering is van de wil-om-te-winnen. Het bevrijdende van zijn kruisdood bestaat er juist in, dat je bevrijd wordt van de gedachte dat je pas meetelt als je een winnaar bent. Dat ons bestaan geen spel is waar je als winnaar uit de bus kan komen, omdat het allemaal inderdaad maar een spel is – en dat het best leuk kan zijn – zolang je niet al te graag wil winnen. Het rijk gods is (radicaal-)theologisch geen rijk van winnaars, maar van gelukkige verliezers.

Leur souffle

https://youtu.be/bgu3YMx9Gb8

Als je in de klas iets wil laten ervaren van het monastieke leven in een abdij of een klooster, dan zijn er intussen een paar mogelijkheden in de filmotheek. Je hebt bijvoorbeeld de speelfilm Des Hommes et des Dieux over het vreselijke gebeuren in Tibhirine. Of de documentaire film Into Great Silence over een kartuizer klooster in de bergen. In die reeks – en er zijn er nog wel meer – is er een minder bekende film bijgekomen die deze keer het leven observeert van vrouwelijke religieuzen in een Franse abdij: Leur Souffle.

De camera volgt een novice op de dag van haar intrede in een klooster. De beelden van de viering in de kerk tonen het gelaat van de nieuwe non en ze ziet er gelukkig uit. De dienst is ingewikkeld, met ondermeer het neerliggen op de vloer, het opleggen van de nieuwe kledij – heel minutieus, met spelden – en het uitspreken van de verschillende geloften die bij het moniale leven horen. Heel sterk in beeld gebracht met een statische camera is even later het open gaan van de kloosterpoort, waar de vele zusters te zien zijn die de nieuweling ontvangen en opnemen in de gemeenschap. Waarna de poort weer gesloten wordt en de familie en vrienden achterblijven. Een heel sterk stuk choreografie, dat we niet vaak zien maar waar we in deze film deel aan hebben.

Ik dacht dat de camera voor de rest van de film de nieuwe zuster van nabij zou volgen en haar eerste dagen, weken en maanden zou willen vastleggen, met nu en dan een interview, maar dat is niet wat je krijgt: integendeel; de camera is getuige van het dagelijkse leven in het klooster, dat een afwisseling is van werken en bidden.

En dat is intens. Als je geduld hebt, word je meegenomen in het ritme van de tijden in het klooster. Deze zusters zijn sterke vrouwen. Ze weten om te gaan met machines en tractoren en runnen zo een heus landbouwbedrijf. Je kan niet anders dan deze zusters bewonderen om hun werk. Iedereen presteert naar eigen mogelijkheden, maar alles lijkt in dit klooster onder controle te zijn. De mindervalide zusters worden verzorgd en de meeste nonnen die je bezig ziet met hun dagelijkse werk zien er sterk en gemotiveerd uit, al zijn er ook een paar bij waar je bij kan vermoeden dat er ook veel verdriet aanwezig is.

Deze film is volgens mij een beetje onder de radar gebleven, maar hij kan volgens mij een waardige plek innemen tussen de eerder genoemde kloosterfilms.

Voor het gebruik in het godsdienstonderwijs kan je de eerste minuten van de film, met de geloften en het afscheid zeker inzetten. De scene aan de poort is op zich zeker de moeite. En verder zoek je uit wat je favoriete momenten zijn om een idee te geven van het kloosterleven in en levendige en sterke gemeenschap.

Lucky

Lucky rookt

Lucky is een cowboy die intussen de 90 nadert – en dat zet wel wat druk. Tegen een bezoeker komt het er uit: “ik ben bang”. Wat wij, de toeschouwers, al lang door hadden: deze man hoeft niet veel verwachtingen meer te koesteren. Hij is bijzonder frêle en verzwakt en wat we dan vaak ‘kranig‘ noemen.

Al moet gezegd: Lucky laat zich niet verloederen: hij drinkt zijn melk, doet elke dat de “Vijf Tibetanen“. Hij wast zichzelf aan een tijl en hij is een uniform dresser.

Minder gezond is de gewoonte om sigaretten te roken – een pakje per dag – en dat hij in de diner elke dag een Bloody Mary* drinkt – maar waarom ook niet, als je eenmaal aan de verlengingen van je leven bezig bent.

De sfeer van de film is broeierig en gestileerd: we zijn in een Tex-Mex decor beland. De eerste beelden tonen een grote wandelende schildpad, met zijn huis op de rug. Later zal zijn baasje zeggen dat het niet niks is, om altijd die last te moeten dragen. Een huis, maar uiteindelijk ook je doodskist. Het zijn commentaren als deze, die de film optillen tot een existentiële verkenning van wat het betekent om op deze planeet te leven en onvermijdelijk ook te sterven.

Ungatz

In de conversaties van Lucky met de andere bezoekers van zijn stamcafé leren we hem kennen als een niet zo gemakkelijke man. Lucky schoffeert zijn gesprekspartners vaak, maar hij toont ook werkelijk interesse in hun verhalen. Als hij uitgenodigd wordt op een verjaardagsfeestje bij Hispanics, leren we dat hij houdt van mariachi muziek en dat hij een melancholisch liedje in het Spaans kan zingen. Openminded is onze Lucky dus wel, dan dat waarderen de mensen.

Het lijkt er dus op dat Lucky inderdaad geluk heeft: hij mag er zijn. De mensen hebben hem graag. Zijn spirituele zoektocht gaat verder dan dat: we komen te weten dat hij als kind een keer alleen thuis was en zich plots realiseerde dat er uiteindelijk alleen een donker ‘niets‘ is, waarin wij een tijd ronddobberen en overleven. Die ervaring van existentiële verlatenheid en verlorenheid is bijgebleven. Het is de ‘Ungatz‘, het alomvattende niets, waarin alles in het universum uiteindelijk verdwijnt.

Lucky kiest voor een realistische kijk op het leven. Realisme is de dingen zien zoals ze zijn en er vervolgens ook op een gepaste manier mee omgaan. Als iemand zegt dat vriendschap het voedsel is voor de ziel, als Lucky tegenwerpen:
“Dat bestaat niet”.
“Vriendschap bestaat niet?”
– “Neen, de ziel!”

Interessant in de gesprekken die Lucky voert, is dat de andere personages zich ook vragen stellen bij de onafwendbaarheid van de dood. Een verzekeringsagent kiest voor het comfort en de gemoedsrust die een levensverzekering je geeft. “Eén telefoontje en alles wordt geregeld”.
– “Maar voor jou verandert er niks.”
– “Hoezo?”
– “Jij bent dan nog altijd dood.”
– “…”

Komt de film met een uitkomst voor die uiteindelijke vragen? Ja. In een verwijzing naar de mysterieuze glimlach van een meisje in het midden van een gruwelijke oorlogsscène waar geen hoop meer is, glimlacht Lucky aan het eind van de film in de lens van de camera. Ik zou dat, als ik de cineast was geweest, anders in beeld gebracht hebben. Maar de gedachte die wordt overgebracht is duidelijk: we zijn – hoe onbelangrijk ons bestaan in het grote geheel van het heelal ook is – een deeltje in een groter geheel. Symbolen voor dat grotere geheel zijn de schildpad en de grote cactussen – die veel langer leven dan een mens kan doen.

Uiteindelijk lijkt de film ons te willen vertellen dat we moeten relativeren en loslaten. De wijsheid achter de glimlach van aanvaarding en overgave. De glimlach van een schildpad die niet zo nodig moet bewijzen.

Een parel, deze film. Bekijk het maar.

Props

  1. *) Een Bloody Mary: Giet de ingrediënten, behalve de selder, in de shaker met ijsblokjes. Shake en schenk in een glas zonder ijsblokjes. Werk af met het takje selder.
    • 1 takje witte selder
    • 180ml tomatensap
    • 1 takje witte selder
    • 1 scheutje citroensap
    • 60ml wodka
    • 1 scheutje tabasco
    • 1 mespunt peper
    • 1 mespunt zout
    • 1 scheutje worcestersaus
  2. Johnny Cash – I See a Darkness
  3. Red River Valley
  4. DVD De film werd op de VRT vertoond, maar is nu niet meer online te bekijken. Koop de DVD voor een prikje.

Puck in de wachtzaal

In de wachtzaal van de afdeling neurologie zit Puck in haar elektrische rolstoel. Ze is er niet alleen. Haar mama is er ook en er wachten nog een tiental andere patiënten, maar die zitten allemaal gewoon op een stoel. Puck is intussen 16 en tenger gebouwd. Ze heeft weinig controle over haar ledematen, die uit zichzelf spastische bewegingen maken. De laatste tijd heeft zij daarvoor andere medicijnen gekregen, want de spasticiteit houdt Puck ‘s nachts voortdurend wakker. En dat is voor haar heel vervelend.
De dokter-specialist verschijnt in de wachtzaal en Puck heeft hem meteen gezien en ze lacht naar hem. Hij vraagt haar direct:
‘Èn, Puck?’
Hij wil natuurlijk weten of het nieuwe medicijn verlichting gebracht heeft.
Puck roept naar haar dokter:
‘Fááántáááástieees!!!’
De dokter ziet en voelt de andere patiënten denken: ‘hoe kan iets nu ooit “fantastisch” zijn voor een meisje dat zo ellendig zwaar gehandicapt is? Dat kàn toch niet!

Een Puma, zoals Puk er een heeft. Hier in brandweer-rood

P01 [5pt] Waarom zijn de andere mensen in de wachtzaal verbaasd over de enthousiasme van Puck?

P02 [5pt] Hoe verklaar je dat Puck zo blij reageert als de dokter vraagt hoe het gaat? 

P03 [10ptn] Wat leert het verhaal van Puck over een slimmere manier van omgaan met beperkingen en lijden? 

  • P04a [5pt] Als je er van uit gaat dat Puck heel gelukkig en tevreden is met het nieuwe medicijn, waardoor zij nu goed kan slapen ’s nachts, zonder die vervelende spastische trekkingen, waar zou je Puk dan plaatsen op de bovenstaande grafiek?

◻︎(2,2)             ◻︎(4,2)             ◻︎(6,2)  

◻︎(2,4)             ◻︎(4,4)             ◻︎(6,4)

◻︎(2,6)             ◻︎(4,6)             ◻︎(6,6)

  • P04b [15pt] Leg uit. 

Modelantwoorden

Mijn leerlingen hebben het meestal knap lastig om zich in de situatie van Puck in te leven. Dat verschilt, maar ik denk dat het goed is om modelantwoorden te geven:

  • P01 Veruit de meeste mensen hebben spontaan een gevoel van medeleven. Zij zien alleen – of vooral – de beperking. Op zich is dat begrijpelijk. Zij verwachten eerder het omgekeerde: een klacht, een “het gaat wel” – ondanks alles. Het verrast dan ook als de persoon die met de beperking leeft, plots zo enthousiast reageert. Dat klopt niet met het plaatje in hun hoofd: Hoe kan dat?
  • P02 Puk heeft veel last van de spasmen. De onwillekeurige spierspanning die je niet onder controle hebt, zijn heel vervelend en ook pijnlijk. Daar wil ze van af. Dàt is haar probleem. (Voor de andere mensen in de wachtzaal is de handicap het probleem – maar niet voor Puk: voor haar zijn het die spasmen. En daar gaat het met dat nieuwe medicijn een stuk beter mee. En dus is ze blij. Heel blij. En dat laat ze merken: ‘Fááántáááástieees!!!’
  • P03 Het verhaal leert volgens mij twee dingen:
    • NIVEA: Niet Invullen Voor Een Ander. Ga niet oordelen over wat de ander moet voelen.
    • Tel je zegeningen. Als je vergelijkt met anderen – en dat doen we heel vaak – en je ziet wat je niet hebt of minder … dan maak je jezelf ongelukkig. De meeste mensen realiseren zich dat nu en dan – om het meteen weer te vergeten.
  • P04 Het juiste antwoord is 2,6. Puck heeft geen onrealistische verwachtingen, maar is blij met een verbetering in haar situatie. Ik merk dat de leerlingen vaak niet goed uit de voeten kunnen met x,y-diagrammen en daardoor een fout antwoord geven. Wat mij verbaast, want ze hebben dat uiteraard geleerd in wiskunde.
    Maar… verwacht dus niet te veel! (pun intended).

Running up that hill | Kate Bush

Kijken je leerlingen ook naar Stranger Things op Netflix? Dan zit je goed met een micro-lesson over een oude song die een beetje als theme song fungeert in de reeks. Het gaat natuurlijk over Running Up That Hill van Kate Bush.

Een song om de wereld te redden: Running Up That Hill

Het nummer was een single van haar Kate’s album Hounds of Love uit 1985. De inhoud van het nummer werd veel besproken en is vaak verkeerd begrepen. Oorspronkelijk was de titel “Deal With God”, maar Bush werd door het platenlabel onder druk gezet om die titel te veranderen, omdat ze dachten dat een song met “God” in de titel misschien niet uitgezonden zou worden op de radio.

Ondanks haar spijt ging de artiest er in mee en het nummer werd Running Up That Hill. Kate Bush legt zelf uit dat het lied gaat over relaties tussen mannen en vrouwen en de complicaties die daarbij onvermijdelijk optreden.

In dit nummer zingt Bush voor een partner en bespreekt ze hun rollen binnen de relatie, ook, maar niet uitsluitend, hun rol binnen de fysieke kant van de liefde. Ze vraagt zich af hoe het zou zijn om tijdelijk(?) van lichaam te kunnen wisselen. Ze suggereert een bovennatuurlijke deal om dit te ervaren, maar, in plaats van een deal te sluiten met de duivel zoals Faust, wil ze een deal sluiten met God.

Het gender-issue komt hier dus ook naar voor en dan meer bepaald transseksualiteit. Ik dacht aan dit liedje naar aanleiding van de #Wijs-radiouitzending over de afschaffing van het godsdientonderwijs. Een collega had het daarin over transgenders in de klas. Welnu.

Suggesties

  • Intro – Begin met de reeks op Netflix: wie kijkt er? Toon een YT-fragment zoals het bovenstaande.
  • Laat de song horen, met de lyrics er bij. Daag de leerlingen uit om de tekst te interpreteren.
  • Vertel over de achtergrond van het liedje en de interpretatie van de songrwriter zelf.
  • Bespreek het met de klas.
  • Ga verder in op de rol die de song speelt in Stranger Things.
  • Outro – Toon een langer fragment met de song er in. Jaargang 4, aflevering 4.

Ingrediënten

2e graad: 170, 171, 187, 195, 198,

3e graad: 207, 212, 214, 219,

Het lerarentekort voor het vak godsdienst

Meer dan 20 jaar geleden kreeg ik een nieuwe collega die mij toevertrouwde dat hij niet goed uit de voeten kon met het leerplan: “ik begrijp daar eigenlijk niks van”. Dat kon ik niet bevatten, want het leerplan sloot in die tijd nog heel mooi aan bij wat ik in Leuven in mijn kandidaturen en licenties godsdienstwetenschappen had gestudeerd. Ik had met de leerplannen van professor Jef Bulckens juist helemaal geen probleem, integendeel. Ik begreep dat er nu collega’s die een andere licentie of graduaat (de oude benamingen) hadden behaald, ook godsdienst gingen geven en dan vaak naast het ‘eigen’ vak. Om dat te mogen, moest je een cursus gevolgd hebben – of ermee begonnen zijn, of soms zelfs maar beloven om die ooit te gaan volgen. Of dat laatste waar is, dat weet ik niet met zekerheid, en ik hoop tot op vandaag dat het niet waar was. Hoe dan ook, de bevoegdheid om godsdienst te geven werd indertijd al heel erg opgerekt.

Je oogst vaak wat je gezaaid hebt
Een gevolg van die keuze, die op een moment dat er een lerarenoverschot was, op korte termijn allicht het contingent godsdienstleraren aan kon vullen, is dat er ook in de hogere jaren leraren zijn die godsdienst geven, maar naast een ander vak. Het vak godsdienst als tweede keuze, uit noodzaak..

En vandaag gaat men blijkbaar verder op dat elan: iedereen heeft op TV kunnen zien dat Meneer Vanneste gewoon godsdienst mag geven, simpelweg omdat hij gedoopt is. Dat moest ik weer even incasseren, maar het is wel de realiteit. Ik merk het ook in mijn eigen school. Mijn weggepeste collega is al maanden ‘uit’ en wordt nu inderdaad vervangen door een gedoopte oud-leerling die nooit godsdienst heeft gestudeerd. Het is een fijne, piepjonge collega, daar niet van, maar hoe bemoedigend is die situatie voor de nabije toekomst?

Christenen hebben van bij het begin heel veel kunnen rekenen op de getuigen van het geloof. De martelaren waren bij uitstek getuigen – en wie zijn leven veil heeft voor het geloof, die moet echt wel overtuigd zijn. Dat vertrouwen op geloofsgetuigenis ondervind ik als leraar godsdienst nog steeds. Het is de ‘G’ in ‘GSM’. Het lijkt er op, dat de verantwoordelijken van het godsdienstonderwijs echt helemaal inzetten op getuigen en getuigenissen van het geloof. Dat werkt soms. Alleen: dat werkt niet op school. Jongeren hebben het meteen door als iemand hen ergens van wil overtuigen. Zij worden elke dag blootgesteld aan allerlei vormen van propaganda, niet in het minst in de sociale media. Jongeren zijn wars van die beïnvloeding. Zij zijn wel gevoelig voor rolmodellen, ook op school. En juist daar slaagt de getuigende leraar niet: ik merk dat die mayonaise niet pakt – en dat is al decennia zo.

Ik zie de nabije toekomst van het godsdienstonderwijs heel somber in. In het Vlaamse Parlement werd deze week nog eens gepleit om het vak te vervangen door een vak waarin je bijvoorbeeld leert hoe je een verzekering neemt voor een brommer. Geen bijbel, maar verzekeringen.

Hebben we al niet veel te lang willen teren op het lerarenoverschot van de afgelopen decennia? Ik bedoel de tijd, dat er voldoende leraren waren die hun opdracht geschiedenis, Engels of PAV – ik noem maar wat -maar al te graag wilden aanvullen met desnoods een paar uurtjes godsdienst, om toch maar een volledige benoeming te kunnen bekomen in hun geliefde school. Om dan later, meteen van zodra de gelegenheid zich voordeed, het vak godsdienst weer als een blok te laten vallen. Zo ging het wellicht niet altijd, maar ik heb het toch meer dan één keer zien gebeuren.

Het nog verder laten zakken – tot op de absolute bodem – van de erkenningsvoorwaarden om het vak te mogen geven, namelijk gedoopt zijn, vervult mij met afschuw, schaamte, ingehouden woede en veel verdriet. Ik ervaar het als de ultieme belediging voor mij als vakleraar.

Waar zijn we dus mee bezig geweest? Dat moest ooit mis gaan. Het was een riskante gok. En vandaag is het dus zo ver: door het algemene lerarentekort staat de leraar godsdienst in de top-3 van de knelpuntberoepen.

Elders1 heb ik al mijn licht laten schijnen op het onderwerp van het lerarentekort en hoe we daar best mee om kunnen gaan. Ik vat mijn adviezen hier samen. Ik begin bij de meteen te nemen maatregels, om dan van langsom verder te gaan naar het vinden van een oplossing op lange termijn.

Aanpak op korte en wat langere termijn

  • Hou de mensen die nu godsdienst geven, vooral aan boord. De afgelopen jaren heb ik meerdere goede mensen zien vertrekken, omdat zij heel hard zijn aangepakt door de inspectie. Anderen zijn dan weer aangemoedigd om carrière te maken in de schoolleiding. Geen slimme zet, want die mensen ben je kwijt en die krijg je niet meer terug.
  • Op korte termijn kunnen er leraren gezocht worden die online leermiddelen willen en kunnen aanleveren. Klassen die geen leraar hebben, kunnen op die manier toch les krijgen, zoals we in de corona-tijd hebben gedaan. Reken hiervoor niet op Thomas, die voldoende heeft getoond niet aan die opdracht te kunnen voldoen. De mensen die de Junior Colleges voor de Faculteit Religiewetenschappen en Theologie maken, kunnen dat duidelijk wel. Zelf heb ik (op WikiWijs, zoals bijvoorbeeld dit leerpad) ook een reeks online lessen uitgewerkt voor de 3e graad S.O., die iedereen kan gebruiken. Op die manier hou je de vuren van het godsdienstonderwijs nog een tijd brandende.2
  • Normaliseer het vak, dus het leerplan en de leerdoelen daarin. Schrijf die leerinhouden uit in begrijpelijke taal (en niet in telegramstijl en steekwoorden); maak er geen legpuzzel van en bouw het vak op, zoals de andere schoolvakken dat doen, met heldere titels en een duidelijk uitgeschreven inhoud.3 Haal de band tussen de religiewetenschap en theologie en het schoolvak weer stevig aan, omdat een schoolvak altijd gekoppeld moet zijn aan een overeenstemmende wetenschap.
  • Overtuig de bisschoppen om het vak nu uit handen te geven. Bij een volgende regeringsvorming zal artikel 24 weer op de helling komen te staan – en deze keer bijna zeker sneuvelen. Welnu, speel nu de kaarten uit die we in handen hebben en sleep bij een hertekening van de zingevingsvakken uit de brand wat er nog te redden is. Nog langer dralen maakt de positie van de Kerk alleen nog maar zwakker. Er is een breed draagvak voor een pluralistisch vak levensbeschouwing, filosofie en burgerschap. Wel, door handig te onderhandelen, nu we nog niet helemaal in de koorden hangen, kunnen we een stem opeisen in het kapittel en een hand hebben in de redactie van leerplannen en basisteksten.
  • Om even te chargeren roep ik iedereen die belang stelt in het godsdienstonderwijs op, om de al zo lang aanhoudende ontkenningsfase achter te laten. De grondwet zal niet eeuwig blijven garanderen dat het godsdienstonderwijs blijft bestaan zoals het nu is. Laat ons wakker worden en nu doen wat voor de leraren en de leerlingen de beste optie is.

Ieder nadeel heb z’n voordeeel

Ten slotte som ik nog de voordelen op van het opgeven van het vak godsdienst, zoals het nu bestaat:

  • De godsdienstleraar krijgt opnieuw een schoolvak met een breed maatschappelijk draagvak en wordt opnieuw gewaardeerd voor haar inzet. Niet meer de risée van de deliberaties, maar een leraar met een vak dat telt.
  • De leerlingen krijgen in een ruimer vak een spectrum aan zingevingssystemen om te bestuderen en te bevragen. Ik beveel aan om daarbij lering te trekken uit de godsdienstdidactiek zoals die in het Verenigd Koninkrijk is uitgebouwd en het hermeneutisch-didactisch model resoluut achter te laten.
  • Een eenheidsvak, nu nog een nachtmerrie voor menig verdediger van het katholiek onderwijs, betekent ook dat de andere levensbeschouwelijke vakken opgaan in dat nieuwe schoolvak. Dus ook geen NCZ en geen Islam meer op school. Ook geen segregatie in de leergroep meer, maar de klasgroep – idealiter – als een afspiegeling van de maatschappij. Ik zie er wel de voordelen van in, maar natuurlijk ook de valkuilen de struikelblokken.
  • Het lerarentekort in de zingevingsvakken zou volgens mij in een handomdraai opgelost zijn en de vraag naar wie het vak mag geven ook: namelijk iedereen die een erkende relevante studie met succes heeft gevolgd en blijk geeft van een open en tolerante houding. En les kan geven. Dat ook.

  1. https://encyklik.classy.be/leraar-godsdienst-een-knelpuntberoep/
  2. In deze suggestie laat ik de inhoud inderdaad primeren op de persoon. Dat doe ik in het perspectief dat je in het godsdienstonderwijs naar mijn oordeel minder moet inzetten op getuigen, maar op een boeiende inhoud.
  3. De leerplannen godsdienst zijn in de laatste jaren van de 20e eeuw helemaal omgegooid. De uitgeschreven teksten van professor Jef Bulckens en zijn medewerkers werden vervangen door een lange reeks “leerdoelen” die meestal niet aan de formele vereisten van leerdoelen voldoen. De vroegere ‘basisideeën’, waarin de leerinhouden voordien werden uitgedrukt, waren nu nog moeilijk te vinden. Die vernieuwing is goed te plaatsen in het tijdsgewricht van de periode rond de eeuwwisseling: overal ging het traditionele onderwijs op de schop, en werd er vlot geëxperimenteerd met leerstijlen, activerende werkvormen en wat dies meer zij. Het ordelijke opbouwen van lesinhouden en het instuderen ervan werd herdacht tot het kunnen opzoeken van informatie en het creatief omgaan met de topics die aan bod kwamen. Bij de ‘actualisering’ van dit nieuwe ‘raamplan’ werden er weliswaar nummers toegekend aan de ingrediënten die de bulletpoints vervingen – wat een goed idee was – maar nu zijn het uiteindelijk alleen nog die “ingrediënten”, en is er geen sprake meer van een degelijk uitgeschreven leerplan. Een collega zei het ooit zo: “met het oude leerplan kon je bij wijze van spreken zo naar de klas stappen: alles stond er in…”. Dat kan nu niet meer: je moet een puzzel leggen en vooral vaart zetten, want er zijn enorm veel ingrediënten om af te vinken, en noodzakelijkerwijze wordt het een ratjetoe van vanalles en nog wat, zonder een duidelijke leerlijn en zonder een degelijk opgebouwde inhoud. Leerlingen ‘zien’ heel veel, maar leren eigenlijk bijna niets.